Wedstrijdploegen
Inleiding
Ploegwedstrijden leveren een grote bijdrage tot het verbeteren van de grondbewerking. Immers, goed ploegwerk levert het fundament voor een goed zaaibed, dat in een minimaal aantal bewerkingen kan worden verkregen. Dit laatste is zeer belangrijk, daar bij herhaaldelijk bewerken de winst, die men door het ploegen aan vergroting van het poriënvolume heeft verkregen weer geheel teniet wordt gedaan.
Rondgaand ploegen
De opening
In het algemeen moet de opening zo ondiep mogelijk worden gemaakt om de aanstorting op de juiste hoogte te krijgen, zodat deze niet boven het overige geploegde uitsteekt. Is dit tijdens de wedstrijd al het geval, dan is er in het voorjaar een behoorlijke rug. De dieper geploegde grond bezakt immers meer dan de ondiep geploegde grond bij de aanstorting. Op zichzelf wordt een diepe opening, die verder geheel aan de eisen voldoet niet lager gewaardeerd dan een ondiepe. Met rondgaande ploegen wordt een dubbele opening gemaakt, die op twee verschillende manieren kan worden uitgevoerd, met als resultaat:
1. een geheel schone opening;
2. een opening, die een reep losgesneden grond bevat, de zgn. ‘vuile opening”.
De naar weerszijden uitgeploegde sneden moeten van voor tot achter een gelijkblijvend uniform beeld tonen.
De gehele schone opening
Deze opening wordt met de achterste schaar uitgeploegd en wel zodanig, dat de ploegsneden zowel naar links als naar rechts even breed zijn en in hun geheel evenwijdig aan de open voor lopen.
Dit betekent, dat de ploeg iets over rug moet worden afgesteld. Daarbij moet de onderkant van de achterste schijfkouter even diep of iets dieper dan de punt van de schaar worden afgesteld. Bij de tweede gang, dus wanneer men de dubbele opening voltooid, mag het schijfkouter wel iets dieper worden afgesteld, indien de grond niet te hard is. Er wordt bij de tweede gang praktisch even diep geploegd als bij de eerste en daardoor heeft het zoolijzer maar weinig steun. In dit geval moet het schijfkouter dus mede dienst doen als zoolijzer. Bij de tweede methode is dit iets gemakkelijker.
Een opening, die een reep losgesneden grond bevat (Vuile opening).
De eerste gang levert bij deze opening wat de uitvoering betreft geen verschil op met die van de eerstgenoemde methode.
Bij de tweede gang wordt echter de tweede voor niet door het achterste, maar door het daar voor gelegen ploeglichaam gemaakt. Het achterste lichaam ploegt daarbij een klein randje van de bij de eerste geploegde snede af, de schijfkouters van de ploeglichamen worden hierbij op de volle diepte afgesteld. Het voordeel van deze opening is, dat hij in ieder geval tweemaal de voorbreedte breed wordt, en dat de ploeg vlak kan worden afgesteld, waardoor een betere kering kan worden verkregen. De voorscharen worden bij het maken van de opening niet gebruikt.
Aanstorting
Bij de aanstorting laat men het voorste ploeglichaam ongeveer op de helft van de diepte van het achterste ploeglichaam ploegen. Hierdoor wordt de eerste ploegsnede voor ruim de helft door de tweede ploegsnede bedekt. Bij de tweede gang van de aanstorting wordt de ploeg vlak gesteld, de schijfkouters worden bijgesteld en de aanstorting van drie sneden wordt voltooid. De aanstorting kan ook worden gemaakt met vier sneden. De aanstorting is evenwel compleet na 4 omgangen (15 of 16 sneden zichtbaar). De ploegdiepte moet na twee omgangen zijn bereikt.
De geploegde sneden
De geploegde sneden moeten even breed zijn en steeds op dezelfde wijze goed bij elkaar aansluiten. Daarbij moeten ze geaccentueerd liggen en zoveel mogelijk een ronde kruin hebben. De accentuering mag niet te groot zijn, de aansluiting van de ploegsneden met de gewenste ronde kruin is dan trouwens ook voldoende. Deze aansluiting is niet alleen belangrijk voor een minimale bewerking in het voorjaar, maar ook om het ontstaan van slemp op deze plaatsen tegen te gaan. De grond droogt dan in het voorjaar gelijkmatig op. Deze gelijkmatigheid is belangrijk voor een gelijkmatige kieming en groei der gewassen. De gelijkmatigheid strekt zich uit tot de gehele ploegsnede. De verkruimeling en/of de gewenste scheurvorming door het rister van de ploeg moeten zich op zijn minst gelijkmatig over de gehele ploegsnede hebben verdeeld.
Op lichtere gronden is het zelfs gewenst, dat deze verkruimeling onder in de ploegsnede sterker is dan boven in. Deze gronden zijn immers gevoelig voor dichtslaan en de verkruimeling moet daarom boven in de snede tot een minimum worden beperkt.
Het gebruik van voorscharen is hierbij verplicht. Een werkdiepte van ca. 3 cm is meestal voldoende, ofschoon dit afhankelijk is van de omstandigheden.
Eindvoor
In de eerste plaats is het nodig om het veld te controleren op een eventueel aanwezige geer, alvorens men verder gaat in de voor van de buurman met het eerst hogere veldnummer. Is een geer aanwezig, dan moet deze zo snel mogelijk worden weg geploegd.
Hierna moet meteen worden berekend hoe men uitkomt, want men moet uiteindelijk komen op een veelvoud van de totale ploegbreedte plus bijna één voorbreedte. Is dit niet het geval, dan zal men de nodige correcties onzichtbaar moeten aan brengen.
Bij de laatste drie omgangen moet geleidelijk iets ondieper worden geploegd om voldoende grond voor de laatste ploegsnede over te houden, want deze moet goed bij het overige geploegde aansluiten en in de richting van de eigen aanstorting worden gekeerd. Het laatste wielspoor moet evenwijdig liggen aan de geploegde sneden en moet zo ondiep mogelijk zijn.
Loos rijden naar de andere wendakker is toegestaan, zolang de deelnemer het loos rijden niet gebruikt om het geploegde of het ongeploegde land te beïnvloeden.
Het in- en uitzetten
Het in- en uitzetten moet zo gelijkmatig mogelijk gebeuren, terwijl de ploeg bij het inzetten zo snel mogelijk op diepte moet komen. Uitgangspunt is dat alle grond tussen de merkvoren moet worden geploegd.